Toestemming tot publicatie: Erven Hans G. Kresse 2003

 

  

De illustratoren van Winfair en hun ‘inspiratie’ 

 

 

door Lukas Beemsterboer  

 

De Winfair-reeks van Ray Franklin kent vele liefhebbers. Verschillende illustratoren hebben aan de serie meegewerkt. Onderstaand artikel geeft een overzicht. 

 

Enkele jaren geleden kreeg ik als deel 1 van een wildwest-serie van uitgeverij Casterman een gebonden uitgave van Winfair en de rode mocassin door Ray Franklin onder ogen. Als verstokt Kresse-verzamelaar kende ik de Winfair-pockets die uitgeverij Elsevier tussen 1966 en 1968 op de markt had gebracht: tien boekjes met kleurrijke voorkantjes van Hans G. Kresse; zeven delen hebben daarnaast een zwart-witillustratie van Kresse op pagina 2. 

 

 

Winfair en de rode mocassin  

Kresse, 1966 (links) en De Jonge, 1973 (rechts)

 

De Casterman-versie had ik nog niet eerder gezien. De uitvoering en de omslagtekening - van Reint de Jonge - weken behoorlijk af van die van de gelijknamige Elsevier-pocket. Een passage uit de tekst op de achterkant trok echter de meeste aandacht: ‘De afwisselend rustige en flitsende schrijftrant van de auteur Ray Franklin (schuilnaam van een bekend Nederlands schrijver) maakt het lezen van de Winfair-boeken tot een echt genot voor ieder die van een stoere “Western” houdt.’ Een bekend Nederlands schrijver? Ik was er tot dan van overtuigd geweest dat de schrijver een Amerikaan was. Bij de mededeling op de achterkant van de eerste  Elsevierpocket-met- Kresse-omslag  dat de hoofdpersoon van Hollandse komaf was, had ik niet eerder stilgestaan. Onderzoek naar de schepper van de Winfair-boeken bleek vanwege het pseudoniem niet zo eenvoudig. Speurend naar informatie over de schrijver werd wel duidelijk dat meer uitgeverijen dan Elsevier en Casterman en meer tekenaars dan Kresse en De Jonge zich over Winfairhadden ontfermd. Eén aspect viel daarbij op: vergelijking van corresponderende titels uit de diverse series leverde een groot aantal frappante gelijkenissen tussen diverse omslagen en zwart-witafbeeldingen op. Er waren erbij die volkomen identiek leken; misschien niet altijd in het kleurgebruik, maar zeker in de compositie. 

 


 

Twee pseudoniemen

Maar eerst iets over de auteur van de serie, Ray Franklin. Achter dit pseudoniem gaat Frans Jozef Linnartz schuil. Linnartz werd in 1907 geboren in Roermond en overleed in 1987 in Leidschendam. Vanaf 1935 tot aan zijn overlijden woonde hij met zijn gezin afwisselend in Voorburg en Den Haag. Als beroepen van de rooms-katholieke Linnartz staan vanaf 1935 in het gemeentelijke bevolkingsregister genoteerd ‘onderwijzer; hoofd eener school; onderwijzer+MO; zonder’. In Voorburg was hij jarenlang hoofd van de R.K. Lagere Jongensschool St. Jozef. In 1932 trouwde hij met Auguste Johanne Franziska Schirmann (1912-1977). De roepnamen van de echtelieden, Frans en Fransje, zorgden bij de buitenwacht voor verwarring, zodat Linnartz zich Frank ging noemen, aldus zijn in 1935 geboren dochter. Later bleek dit een belangrijke stap in de keuze van zijn tweede pseudoniem. 

 

 

Panátsche/Winfair en de held van de Zwarte Bergen

Thole, 1956 (links) en Kresse, 1967 (rechts)

 

In zijn vrije tijd schreef Linnartz gedichten, novellen en (vooral streek-)romans, en een enkel boek over de historie van de streek waarin hij woonde. Daarnaast vertaalde hij (literaire) werken uit het Duits en Frans. Het oudste boek van zijn hand dat in catalogi voorkomt, is het bundeltje Oorlogsnovellen (1945). Zijn laatste werk verscheen in 1983: Gedichten bij de passie van onze Heer Jezus Kristus. Bij al deze creatieve arbeid gebruikte hij zijn eerste en belangrijkste schuilnaam, Gabriël Gorris. Voor zover bekend heeft Linnartz nimmer onder eigen naam gepubliceerd. Wellicht aangespoord door het succes van de Arendsoog-boeken van zijn Haagse collega-in-het-r.k.-onderwijs Jan Nowee (1901-1958) begon Linnartz rond 1955 aan een eigen serie wildwestverhalen. Voor zijn helden - een jonge blanke cowboy en diens trouwe Indiaanse kameraad - vond hij onderdak bij uitgeverij-drukkerij Ten Hagen N.V. in Den Haag. Als pseudoniem wilde hij een krachtige Amerikaanse naam. Nu kwam hem van pas dat hij al jaren als Frank Linnartz door het leven ging. Een stoere voornaam was snel gevonden, waarna Ray Franklin was geboren. Kortom, een ‘Nederlands schrijver’! Dit verklaart wellicht de keuze voor de Hollandse afstamming van de Winfairs.  

 


 

Soortgelijk duo

In 1956 verschenen de eerste twee delen van de Winfair-serie. In Brinkman’s cumulatieve catalogus van boeken, editie 1956, is vermeld dat ‘Franklin, Ray’ een pseudoniem is, maar de echte naam van de auteur wordt niet genoemd. 

 

  

Brinkman’s cumulatieve catalogus van boeken, editie 1956

 

Was deze door Ten Hagen niet bekend gemaakt? In dezelfde Brinkman is ook een titel van Gabriël Gorris opgenomen, waarbij wel vermeld is dat het om een ‘pseudoniem van Frans Josef Linnartz’ gaat. Misschien wilde de auteur van de nieuwe westernreeks niet weten dat hij de chroniqueur was van de belevenissen van de (in deel 1) 19-jarige Frenk Winfair en diens onafscheidelijke vriend, de even oude Sioux-Indiaan Panátsche. Vreesde hij opmerkingen van zijn ambtgenoot Jan Nowee? Die liet immers in zijn Arendsoog-serie een soortgelijk, onverschrokken duo de hoofdrol vervullen.  

 

 

Winfair en het mysterie van Blue Falls

Brienen, 1957 (links) en Kresse, 1967 (rechts)

 

Ten Hagen had voor de eerste delen een illustrator van naam aangetrokken. Voor De rode mocassin en Panátsche, de held van de Zwarte Bergen verzorgde Carel Thole (1914-2000) de omslagen en de zwart-witafbeeldingen. Linnartz zat ondertussen niet stil en schreef gedreven voort. Het geheim van de Duivelskreek, eveneens verlucht door Thole, verscheen in juni 1957. Voor het illustreren van het volgende boek had Thole geen tijd. In november 1957 kwam Het mysterie van Blue Falls uit, met een omslag en afbeeldingen door B.J. Brienen jr. (1903-1972). Zijn stijl wijkt hemelsbreed af van die van Thole.  

   

 

 


 

 

 


 

Gezonde jongens

Niet gehinderd door deze verandering bedacht Linnartz nieuwe heroïsche daden voor Frenk en Panátsche, maar het tempo was er enigszins uit. Tussen 1958 en 1960 publiceerde Ten Hagen slechts een deel per jaar. Voor deel 5, De oude vijand, deed de uitgever opnieuw een beroep op Carel Thole. De opvallendste omslag uit de serie en een aantal krasserige illustraties waren het resultaat. Bij volgende delen was Thole niet meer betrokken.  

 

Winfair en de oude vijand

Thole, 1958 (links en midden) en Kresse, 1967 (rechts)

 

Linnartz weidde verder uit over de lotgevallen van het pioniersgezin Winfair, dat rond 1865 bij de Black Hills (een Sioux-heiligdom in South Dakota) een bestaan probeerde op te bouwen. ‘Spanning en avontuur is er volop, zodat alle gezonde jongens van 12 tot 16 jaar (…) hun hart kunnen ophalen!’ In 1959 konden leeslustige tieners de sterke staaltjes van hun helden volgen in Het goud van Ouwe Jim. Daarna verscheen in 1960 Het contract van “Three Oaks”. Beide boeken kregen een omslag en illustraties van J.H. Moriën (1897-1989). De laatste titel bleek de weloverwogen afsluiter van de reeks, maar had een open einde. Na zeven boeken had de auteur een punt gezet achter de wederwaardigheden van de familie Winfair. Tenminste, zo leek het.  

 

 

Winfair en de oude vijand
Thole, 1958 (links) en Kresse, 1967 (rechts)

 

Een slimme zet

In 1962 maakte de serie een comeback. Uitgeverij Elsevier bracht dat jaar drie pockets op de markt met titels die begonnen met ‘Winfair en …’. Deze wijziging moest waarschijnlijk het serie-idee versterken. De boekjes maakten overigens ook deel uit van een grotere reeks, de Elseviers Jeugdpockets (J20-J22). Elsevier publiceerde de verhalen in dezelfde volgorde als waarin Ten Hagen ze eerder het licht had doen zien. R.R. de Groot was verantwoordelijk voor de drie omslagtekeningen van de verder niet geïllustreerde deeltjes. De achterkant van de boekjes beloofde meer: ‘De avonturen van Winfair worden in volgende titels voortgezet.’

De poging om Winfair opnieuw aan de (jonge)man te brengen, mislukte. Verder dan deze drie Jeugdpockets kwam het in de eerste helft van de jaren zestig niet. Daar kwam in 1966 verandering in. Opnieuw begon Elsevier met een serie Winfair-pockets, maar nu als zelfstandige reeks, te beginnen met nummer 1.

Linnartz bleek nog niet uitverteld. Ondanks het open einde van Het contract van “Three Oaks”, het laatste boek dat bij Ten Hagen was verschenen, besloot hij daar niet op door te borduren. Hij plakte er drie kersverse titels vóór. Handig verschoof hij de hoofdrol: Joe Winfair, de vader van Frenk, werd de nieuwe held. 

De serietitel bleef hierdoor gehandhaafd. Een slimme zet! Zonder opvallende stijlbreuk nam Linnartz zes jaar na de beëindiging van de reeks bij Ten Hagen een aanloop naar de bestaande verhalen waarin Frenk Winfair de hoofdpersoon is.  

 


 

Zwaar kaliber

Illustrator en striptekenaar Hans G. Kresse (1921-1992) kreeg de opdracht om de pockets te voorzien van fullcolouromslagen en zwart-witplaatjes. Misschien hoopte men bij Elsevier een graantje mee te pikken van de immense populariteit van de Arendsoog-boeken door voor de nieuwe Winfair-uitgaven dezelfde tekenaar in te zetten. Kresse was vanaf 1962 immers de vaste illustrator van de Arendsoog-publicaties van Paul Nowee. Het zal niemand bij Elsevier zijn ontgaan dat zijn aandeel in de herkenbaarheid en daarmee het verkoopsucces van Arendsoog bijzonder groot was.

Het trof dat de oude en nieuwe Winfair-boeken een hoog ‘Indianen-gehalte’ hadden, want als het om afbeeldingen met ‘rode broeders’ ging, was Kresse voor veel uitgevers de aangewezen persoon. In de wereld van de Winfairs speelden Pawneeën (schrijfwijze van Linnartz) en Sioux mee, wat het verluchten van de serie voor Kresse aantrekkelijk maakte.

 

 

Winfair en het goud van Ouwe Jim

Moriën, 1959 (links) en Kresse, 1968 (rechts)

 

De omslagtekeningen van de Winfair-pockets waarop cowboys zijn afgebeeld, zijn van hetzelfde zware kaliber als menig Arendsoog-cover uit die tijd. Dat geldt ook voor de zwart-witplaatjes uit beide series. De omslagen met Indianen zijn ware kunststukjes. Kresse had hieraan met duidelijk plezier gewerkt. Toch durf ik te stellen dat hij zich er voor zijn doen tamelijk gemakkelijk vanaf maakte.

Bij vergelijking van de illustraties van de oude Ten Hagen-uitgaven met die van de nieuwe Elsevier-pockets valt namelijk direct op dat Kresse voor enkele van zijn tekeningen bijzonder goed gekeken heeft naar de omslagen en zwart-witafbeeldingen van Thole, Brienen en Moriën. Bij het zoeken naar overeenkomsten is soms enige verbeeldingskracht nodig, maar toch... Blijkbaar heeft Kresse een complete Ten Hagen-serie gekregen om zich in te lezen. Waar anders heeft hij deze niet-toevallige ‘inspiratie’ gevonden? En misschien heeft de uitgever de tekenaar verzocht om zich te baseren op het erfgoed van zijn voorgangers.  

 

 


 

Magazijn

In het magazijn van Elsevier lag inmiddels al jaren een groot restant niet-verkochte exemplaren van de eerste poging om drie Winfair-titels te slijten. De uitgever besloot tot hergebruik van deze Jeugdpockets uit 1962. Om de bestaande omslagen met de tekeningen van R.R. de Groot werden stofomslagen met illustraties van Kresse gevouwen.

 

 

Winfair en het goud van Ouwe Jim

Kresse, 1968 (links) en De Jonge, 1973 (rechts)

 

Vervolgens gooiden uitgever en/of auteur de oorspronkelijke volgorde van de oude verhalen door elkaar. Twee van de drie opnieuw in omloop gebrachte Jeugdpockets kwamen elders in de serie terecht, waardoor de onderlinge samenhang van de boeken verloren ging. Het overzicht van de diverse uitgaven geeft een beeld van deze niet goed doordachte actie.

Kresse vervaardigde omslagen voor alle tien delen van de tweede Winfair-reeks die Elsevier tussen 1966 en 1968 publiceerde. Zeven titels daarvan voorzag hij tevens van één zwart-witafbeelding, die consequent op pagina 2 kwam. De drie ‘gerecyclede’ boekjes uit 1962 waren in feite kant-en-klaar en kregen geen binnenwerktekening.  

.

.

.

   .

 


 

.

 


 

.

 


 

Geen toestemming

Linnartz alias Ray Franklin was dan eindelijk uitverteld, maar de Winfair-serie bleef populair bij de Nederlandse uitgevers. Amper vijf jaar na de afronding van de reeks bij Elsevier zag uitgeverij Kolff uit Amsterdam brood in een heruitgave. De zaken werden groots aangepakt. Geen sobere pockets, maar gebonden boeken moesten het worden. Met de teksten was de uitgever snel klaar: van de complete tiendelige serie van Elsevier werd een fotomechanische herdruk gemaakt. Hierbij sneuvelde af en toe een laatste pagina, maar dat mocht de pret niet drukken. De verstoorde volgorde van de tweede pocket-reeks van Elsevier bleef gehandhaafd.

 

 

Winfair en de paardendieven

 Kresse, 1966 (links) en De Jonge, 1973 (rechts)

 

Vervelender was het feit dat Kresse kennelijk geen toestemming had gegeven om zijn tien fullcolouromslagen en zeven zwart-witillustraties opnieuw te gebruiken. Zijn plaatjes bleven achterwege in de uitgaven van Kolff. Maar geen nood. Reint de Jonge (1931-1993), die vooral bekendheid genoot als illustrator van (streek-)romans en jeugdboeken, nam in 1973 het penseel van Kresse over.  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

Snel verdiend

Net zoals Kresse goed naar zíjn voorgangers had gekeken, zo deed De Jonge veel ‘inspiratie en ideeën’ op door Kresse’s Winfair-werk te bestuderen. Ik kan anders niet verklaren waarom zeker vier omslagen van zijn hand frappant veel op Kresse’s creaties lijken. Opvallend genoeg greep De Jonge niet terug op de oudste uitgaven en ik betwijfel of hij die ooit onder ogen heeft gehad. Onbewust werd hij echter wel degelijk beïnvloed. Bij één titel waren namelijk drie generaties illustratoren betrokken: Moriën (Ten Hagen), die werd nagetekend door Kresse (Elsevier), die werd gekopieerd door De Jonge (Kolff).

 

Winfair en het contract van “Three Oaks”

 Moriën, 1960 (links); Kresse, 1968 (midden) en De Jonge, 1973 (rechts)

 

In september 2004 liet een uitgever die in de jaren zeventig en tachtig voor zijn (streek-)romans en jeugdboeken veel omslagen en illustraties bij Reint de Jonge betrok, mij het volgende weten. ‘Ik denk dat Kolff hem [Reint de Jonge] verzocht heeft de omslagen opnieuw te maken, omdat Kolff de originelen van Hans Kresse niet kon/durfde (te) gebruiken. Gezien het oude succes zal hij Reint gevraagd hebben dicht bij het origineel te blijven. Reint zal ongetwijfeld de vorige druk als materiaal hebben gekregen. In plaats van een nieuw omslag te maken (moest hij die boeken eerst lezen en daar had hij natuurlijk geen tijd voor; Reint was altijd te laat en had tientallen opdrachten per maand) heeft hij die van Hans Kresse snel nagetekend (ietsje anders, ander kleurtje, ander perspectiefje) in één dag en ongetwijfeld drie weken te laat ingestuurd. Opdrachtgever blij (lijkt op Kresse!) en Reint blij (drie omslagen op een dag, drie keer 500 gulden verdiend!). Het is gissen, maar ik denk dat ik dicht bij de waarheid zit!!’

Halverwege het uitbrengen van de serie verhuisde firma Kolff van Amsterdam naar Alphen aan den Rijn. Dat weerhield deze uitgever er in 1973 evenwel niet van om in een razend tempo alle tien delen te publiceren.

 

 

Winfair en de prairiegangsters

 Kresse, 1966 (links) en De Jonge, 1973 (rechts)

 

Allerlaatste heruitgave

En nog was de Winfair-rage onder de uitgevers niet voorbij. Een kleine tien jaar na de publicatie door Kolff waagde de in Dronten gevestigde N.V. Casterman ook een poging. In 1982 bracht deze uitgeverij de eerste vier ‘stoere Westerns’ op de markt.

Het waren vrijwel complete fotomechanische herdrukken van vier delen uit de reeks van Kolff, inclusief de omslagen door Reint de Jonge. De uitgever keerde terug naar de oorspronkelijke volgorde van de Ten Hagen-reeks, zodat eindelijk de verhalen 1 tot en met 4 weer op elkaar aansloten. Maar er bleef een verschil met de oeruitgave. Door de gevolgde reproductietechniek handhaafde Casterman de titels zoals die medio jaren zestig waren gekozen: ‘Winfair en …’.

Slechts in de tekst op de achterzijde heeft Casterman zich een kleine, maar bovenmatig intrigerende vrijheid veroorloofd. De tekst is bijna woordelijk van de Kolff-uitgaven overgenomen. Alleen stond er nu tussen haakjes de directe aanleiding voor dit artikel bij: ‘schuilnaam van een bekend Nederlands schrijver’.

Deze zoveelste en zeer waarschijnlijk allerlaatste heruitgave bracht niet het verwachte succes. Al na vier delen zette Casterman de publicatie stop. ‘Overige titels zijn in voorbereiding’ bleek een loze belofte. Waarschijnlijk hadden ‘gezonde jongens van 12 tot 16 jaar’ in 1982 andere interesses dan hun leeftijdgenoten in de jaren vijftig.

 

 

Deze tekst en de meeste afbeeldingen zijn eerder verschenen in Boekenpost 78 (juli/augustus 2005). - (cover)- (artikel)

 

Met dank aan:

- Kresse-kenner Antoon van der Wei voor zijn gefundeerde kritiek op het concept van deze bijdrage;

- Janneke van der Veer van Boekenpost die mijn teveel aan tekst tot een aanvaardbare omvang wist terug te snoeien;

- Mevrouw M.C. Wesseling-Linnartz voor de inlichtingen over haar vader (19 mei 2004, telefonisch).

 

© illustraties bij de diverse rechthebbenden, 2005

© tekst Lukas Beemsterboer, 2005  

© opmaak Klaas de Vries, 2005 

Deze website wordt in de loop van 2003/2008 ontwikkeld i.s.m. De 'Stichting Hans G. Kresse'